De Grote Amateurstoelendans:
Als je van een eend een Ferrari probeert te maken
Je zou soms denken dat sommige amateurclubs Champions League-ambities hebben. Met veel bombarie wordt er maandenlang gezocht naar dé man die perfect binnen de club past. Uitgebreide sollicitatierondes, mysterieuze termen als “technisch beleid” en “clubcultuur” wat dat precies inhoudt, weet niemand, maar het klinkt lekker belangrijk. Alsof het gaat om een functie bij Real Madrid, in plaats van een zaterdagequipe in de tweede, derde of vierde klasse.
Een jongen van de club? Ach nee. Het moet een trainer zijn met een uitstekend cv, met een eigen analist en natuurlijk een drone voor tactische beelden. Alles om tegenstanders als Schalkwijk en Faja Lobi KDS tactisch te kunnen ontleden.
Wat daarbij vaak vergeten wordt: het blijft amateurvoetbal. Het draait om plezier, passie en beschikbaar spelersmateriaal. En dat laatste bepaalt nu eenmaal het niveau. Niet de trainer, niet de presentatie op Instagram, en zéker niet het aantal kernwaarden in de PowerPoint-presentatie.
Oud-trainer Peter Visee schreef in zijn column in het AD dat het droevig is gesteld met het Amersfoortse amateurvoetbal. Clubs als VVZA, APWC, VOP, Quick 1890 en KVVA dobberen al jaren rond in de kelder van het Nederlandse amateurvoetbal. De KNVB houdt de uitslagen nauwelijks nog bij 🙈, maar de trainerscarrousel draait op volle toeren.

Wat niemand zich lijkt af te vragen: op welk niveau speelt de jeugd van deze clubs eigenlijk? Want zolang talentvolle jongens op jonge leeftijd vertrekken naar clubs mét beleid, blijft het eerste elftal structureel onderaan bungelen. En rest er niets anders dan elk jaar een nieuwe trainer met “frisse ideeën”.
Sommige clubs trekken werkelijk alles uit de kast: wedstrijdfilms, statistieken, individuele analyses – alsof het team zich voorbereidt op een uitwedstrijd tegen PSG. In werkelijkheid gaat het gewoon om een potje op een modderig veld in Werkhoven.
En dan komt die mooie socialmedia-post: de nieuwe trainer, lachend met een sjaaltje in clubkleuren, “trots om deel uit te maken van dit project”. Vol goede moed gaat hij aan de slag. Tot de resultaten tegenvallen. Want dan, ongeacht de naam, het cv of het enthousiasme: exit trainer.
Clubs denken nog altijd dat een trainerswissel hét wondermiddel is. Maar in de praktijk betekent het vooral: chaos erin, degradatie als toetje. De trainer vertrekt met een deuk in zijn cv, de club met een vlek op het imago. En geen zorgen hoor, de technische commissie is alweer in gesprek met een nóg ervarener man met een nóg frissere blik. Lekker voor de portemonnee ook.
Kijk naar Elinkwijk, Jonathan, Maarssen, Breukelen. Respectievelijk Marco van der Meer, Kevin de Liefde, Rob Zomer en Michel Strating kwamen binnen als verlossers.
“De perfecte man voor de club.”
“Een echte mensenmens.”
“Past naadloos binnen onze visie.”
Maar nog voor de koffiemok was gevuld, was de chemie alweer verdampt. Wat volgde: slechtere resultaten, onrust, degradatie. Goed bezig, technische commissies. 🤝

Het echte probleem blijft intussen onaangetast. Want laten we eerlijk zijn: je weet wat je in huis hebt. Van een eend maak je geen Ferrari, hoeveel rode lak je er ook op smeert.
Tijd dus voor wat realisme.
Beleid is geen tijdelijke pleister. Het is investeren in continuïteit, in jeugdopleiding, in een lange adem. Niet in het jaarlijks wisselen van trainers alsof je een nieuwe Netflix-serie start omdat je de vorige zat was.
De échte vraag is niet: waarom presteert het eerste elftal niet? Maar: wat gebeurt er met de jeugd? Wat is er gebouwd aan het fundament van de club? Want als daar niets staat, kun je bovenin plakken wat je wilt, het stort vanzelf weer in.
Zolang we blijven doen alsof we FC Barcelona zijn, met een selectie die nog moeite heeft om op zaterdagochtend twee gelijke sokken te vinden, blijft de stoelendans vrolijk doorgaan.
Dus, beste technische commissies van Nederland:
Wees eerlijk over wat je hebt.
Geef een trainer tijd.
Investeer in je jeugd, je clubcultuur, je mensen.
En als je dan écht een Ferrari wilt? Zorg dan eerst voor degelijke banden, een motor die start, en een route die ergens naartoe leidt.
Want een eend blijft een eend.
Maar als je ’m goed onderhoudt, rijdt-ie tenminste nog. En wie weet, haalt-ie zelfs de nacompetitie.

